FRANCKSTRAAT 10

Op een gegeven moment, vlak voor de geboorte van mijn zusje Yvonne, verhuisden wij naar Franckstraat nummer 10. Daar was nog genoeg werk te verzetten voordat we konden intrekken. Het hele huis zag er behoorlijk onderkomen uit. In de woonkamer zag het er uit alsof men er een kampvuur had gestookt en in een van de deurkozijnen bijvoorbeeld hadden de vorige bewoners ooit een schommel gehad. De verhuizing hebben pap en mam helemaal alleen gedaan. Alle spulletjes werden op een kar geladen en getweeën sleepten zij die te voet van Bleijerheide naar onze nieuwe woning en weer terug voor een volgende lading. Het sterkst in mijn herinnering ligt het uitzien van de gang. De muren waren horizontaal in twee gelijke stukken verdeeld. De onderkant was vaalgroen van kleur, terwijl de bovenste helft gewit was. In het midden was een smal houten lijstje aangebracht. Op de vloer lagen kleine bordeauxrode tegeltjes. Het grote voordeel hiervan was dat dat lekker glad was en wij er later met plezier in hebben kunnen rolleren en rolschaatsen.

Als je de voordeur binnen kwam kon je rechtdoor de keuken inlopen. Het was een standaard keuken zoals die in de jaren 60 in een volkswoning of kleine flat te vinden was. Het aanrecht was van Ocriet en de kastjes van Bruynzeel. De Vaillant geiser die boven de spoelbak hing voorzag de keuken én de badkamer van warm water. In de keuken ging de eerste deur rechts naar de kelder, de tweede rechts voerde je naar de kleine, maar functionele badkamer. Daar was niet meer te vinden dan een wastafel en een lavet van hetzelfde Ocriet, een klein rond stenen zitbadje van nog geen halve meter diep, waarvan ik me nu afvraag hoe een ouder persoon daar zonder de nek te breken in en uit zou geraken. Het lavet was een combinatie van een klein zitbad, een grote diepe gootsteenbak en een op heuphoogte aangebrachte, zeer diepe douchebak. Onder de bak was een ruimte voor het opbergen van wasproducten en dergelijke. Het lavet werd vooral gebruikt voor de wekelijkse wasbeurt, het wassen en laten weken van kleding. De wasbeurt vond in de regel op de zaterdag plaats, tenzij je je zó vies had gemaakt dat een reiniging tussendoor nodig was. Aan de voorkant was een rond gaatje met een dunne rubberen stop met een kruis erin waar je de punt van je handdoek in stak om hem op te hangen.

Vanuit de keuken kon je ook naar buiten en kon je vanaf een balkonnetje de tuin inlopen. Zolang pap leefde vond je in de tuin mooie bloemen, ik herinner me vooral tulpen. Die zijn er later helemaal uit verdwenen. Mam lukte het niet meer om de tuin te onderhouden en ik had niets met bloemen en was tot grote ergernis van mam ook niet te overtuigen om me daarmee bezig te houden. Ik vond het al erg genoeg dat het gras zo nu en dan gemaaid moest worden en helemaal erg vond ik dat de heg die pap nog geplant had zo’n keer of twee per jaar gesnoeid moest worden. Ik herinner me dat ik in mijn puberjaren mam heb geprobeerd te overtuigen van de aanschaf van een elektrische heggenschaar, maar met de hand ging dat net zo gemakkelijk vond zij.

Terug naar de voordeur. Vanaf daar de eerste deur links leidde naar de woonkamer. Die was voor zover ik me dat kan herinneren in een typische jaren zestig stijl ingericht met meubels die voor die tijd best modern waren. De meubels heeft mam, zuinig als altijd, pas ergens in de jaren zeventig vervangen na heel lang wikken en wegen geleidelijk aan vervangen voor wat nieuws. Want zo was mam ook: als het voor haar zelf was was het eigenlijk niet zo belangrijk en ze moest sparen zodat haar kinderen later een leuk centje zouden hebben. Het geheel werd aangekleed met grote en kleinere vetplanten, die in die tijd best populair waren. Op de grond lagen dikke tapijten en zelfs op de eettafel lag er een. Die op de tafel was ook erg dik. Ik weet nog dat het door die dikte erg lastig was om huiswerk te maken aan de tafel, want om te schrijven had ik een stevigere ondergrond nodig.

Richting de keuken kon je de eerste afslag rechts richting de slaapkamers. Links, meteen achter het toilet, was die van Yvonne, redelijk smal en langwerpig, rechts was de ouderlijke slaapkamer en rechtdoor liep je die van mij naar binnen. Mijn slaapkamer was best groot, maar dat moest ook bijna wel want ik heb altijd veel rotzooi op te bergen gehad. Tot aan de tienerjaren viel het allemaal nog wel mee, maar daarna spaarde ik boeken en tijdschriften en toen ik met muziek begon werd het al helemaal krap op mijn kamertje.

Gestookt en gekookt werd in die tijd met kolen. Die werden periodiek aan huis bezorgd door de kolenboer. Hele zakken vol werden dan in de kelder opgeslagen voor de aankomende winter, samen met een voorraad hout. Ik weet uit eigen ervaring dat zo’n zak loeizwaar was, want bij wijze van “hulp” aan de kolenboer heb ik als kleine jongen ook ooit met zo’n zak lopen zeulen. We hadden nog geen centrale verwarming, die is pas aangelegd in de jaren zeventig, en voor de verwarming diende een kachel die in de woonkamer stond. Als je bedenkt dat er toen slechts één verwarmingspunt was kun je je voorstellen dat het in de rest van het huis dienovereenkomstig een stuk kouder was. Daarnaast waren de winters in mijn jeugd nog echte winters. Die van 1963 heeft destijds zelfs alle records gebroken! Misschien heeft het ermee te maken dat ik zelf in die tijd niet erg groot was, maar in mijn herinnering lag de sneeuw toen een flink stuk hoger dan toen ik ouder werd. Als het echt koud was leverde dat hele mooie plaatjes op tegen mijn slaapkamerraam. Dat was vaak bedekt met een laag ijs en af en toe waren er hele mooie ijsbloemen te zien. Een prachtig gezicht dat ik na de installatie van de centrale verwarming in de eerste helft van de jaren zeventig helaas nooit meer heb waargenomen! De installatie van de CV was een idee van de bouwvereniging. Mam wilde er aanvankelijk niets van weten, maar de bouwvereniging was heel erg overtuigend. We hoefden de CV niet te laten plaatsen, maar als we het later weer wel wilden, en die tijd zou zeer zeker komen zo vertelde men ons, dan moest mam alles zelf betalen.

Het kolengestookte fornuis is als ik het me goed herinner aan het begin van de jaren zeventig, toen de kolenverkoop steeds minder begon te worden, verruild voor een goedkoop maar oerdegelijk fornuis mét gasoven van Etna. Het kostte onze moeders en oma’s in die tijd geen enkele moeite om desnoods voor een man of twintig een prima maaltijd te koken met soep vooraf en pudding na, want verjaardagen en feestdagen werden uitbundig gevierd en mee-eten was meer dan wenselijk.

De kachel is pas weggegaan toen pap al een paar jaar niet meer bij ons was. Het fornuis was zwart. De kookplaten kon je er met behulp van een pookje van af halen. Zo kon je het vuur voeden met hout en kolen en kon je af en toe nog wat na porren. Wij waren eens een keer klaar met eten toen ik persé wilde weten hoe lang die kookplaten warm bleven. Na lang aarzelen besloot ik te voelen. Heel even maar. Met mijn lippen. Shit! Wat deed dat pijn! Ik wist dat het mijn eigen schuld was, men had mij per slot van rekening vaak genoeg gewaarschuwd. In de hoop dat het vanzelf over zou gaan heb ik mij maar verbeten en heel stil gehouden. Ik heb geen kik gegeven. Totdat ik merkte dat het dus niet over ging en er zelfs blaren op mijn lippen kwamen. Toen moest ik het gebeurde wel vertellen.