DE FAMILIE KREWINKEL: NÓNK TIEN

Papa is als bariton meer dan 25 jaar lid geweest van Kerkelijk Zangkoor St. Caecilia. Verschillende keren ben ik mee geweest naar repetities, die destijds nog gehouden werden in "Moscou", een kelder onder de St. Lambertuskerk. Helemaal prachtig vond ik het als ik 's zondags mee mocht naar de kerk als het koor een mis moest opluisteren. Dat had iets heel speciaals als je "het koeër" op mocht. Ook het uitzicht op de kerk van daarboven vond ik schitterend. Je kon dan precies zien wie er allemaal zat en wat ze aan het doen waren. Alleen vond ik de trap ernaar toe verschrikkelijk eng: een smalle wenteltrap met voor mijn gevoel reusachtige openingen tussen de treden. Ik hield me dan ook stevig vast aan de leuning, bang als ik was om tussen de treden door naar beneden te vallen. Ik ben als volwassene ooit nog eens terug geweest. De trap zag in ieder geval niet meer beangstigend uit.

Ooit zaten Yvonne en ik samen met mama in de H. Mis, terwijl papa boven bij het koor was. Aangezien de zaak voor ons gevoel toch wel wat erg lang duurde begonnen wij ons op een gegeven moment stierlijk te vervelen. Wij werden steeds uitbundiger en mam had het opeens niet meer onder controle. Toen wij uiteindelijk onder de banken door begonnen te kruipen was voor haar de maat vol. Zij sleurde ons mee naar buiten. Papa had nog meegekregen dat een van zijn zangvrienden alles gezien had. "Iech jeleuf dat die poete ze jeliech flink jerammeld krient", had hij nog tegen pap gezegd, niet wetend dat het zijn kinderen waren.

's Zondags ging ik na het kerkbezoek regelmatig met papa op bezoek bij nónk Tien, papa's tweelingbroer. Dat moest dan al meteen na de ochtendmis gebeuren, anders lag hij in bed tot een uur of vijf. Aanvankelijk woonde "d'r Tien" nog in het ouderlijke huis in de Mücherveldstraat nummer 51. Daar heeft hij jarenlang, tot aan haar dood, zorg gedragen voor oma Krewinkel. Toen oma overleden was trokken tante Trees, een zus van nónk Tien, en ome Andries Gladki in. Tot die tijd hadden zij tegenover het ouderlijk huis op drie hoog gewoond. Tien bleef na de verhuizing zitten in zijn kamertje en werd door zijn zus en haar gezin, dat uitgebreid was met zoon Wiel, gedoogd. Totdat Wiel, door ons "d'r dikke Wiellie" genoemd, ouder werd en in huis steeds meer ruimte voor zich begon op te eisen. Toen was er voor Martin geen plek meer. Hij is toen verhuisd naar de Deken Quodbachlaan en is daar ingetrokken bij Wiellie Giese. Ome Wiellie, die in de volksmond 'd'r blinge Wiellie' genoemd werd, woonde tot die tijd samen met een tante, die kort daarvoor was overleden. Hij kon vanwege zijn handicap echter niet alleen wonen, vandaar. In zijn jeugd was gebleken dat zijn ogen niet zouden meegroeien met de rest van zijn lichaam en hierdoor is ome Wiellie langzaam blind geworden. Met groot respect en verbazing ben ik ooit op zijn kamer geweest waar hij mij liet zien hoe hij onder meer borstels maakte. Ik vond dat echt waanzin dat iemand die niets kon zien tot zoiets in staat was. Ome Wiellie was "huisorganist" van de Lambertuskerk en zodoende stond er ook bij hem thuis een orgel. Hij heeft het altijd prachtig gevonden als wij daarop bezig waren, hoewel we eigenlijk geen noot konden spelen. Wat ik mij ook nog goed voor de geest kan halen was zijn koffiekop: die zag eruit als een reusachtige soepkom. Dan hoefde hij niet zo vaak te vullen...

Nónk Tien woonde dus bij ome Wiellie in en had daar zijn eigen kamertje op de eerste verdieping. Ik herinner me dat het daar vaak een zooitje was. De ruimte stond vol met "ouwe sjtrongs" en ook de la's in de kast lagen vol met rotzooi. Zo was nónk Tien bijvoorbeeld helemaal bezeten van kermis, en dan in het bijzonder van carrousels. Als de kermis in de stad was liep hij alle attracties af voor kaartjes, liefst gratis. Die spaarde hij namelijk. Vaak nam hij mij mee over de kermis, omdat ik in die tijd ook helemaal verzot was op dit halfjaarlijkse spektakel. Tijdens onze tochten nam hij vaak een cassetterecorder mee om de muziek van de orgels op te nemen. Die speelde hij dan thuis af, terwijl hij een speelgoedcarrousel liet meedraaien. Voor en na iedere "rit" sloeg hij af met een grote bel die aan de muur hing. Samen konden wij genieten van dit "kermisje spelen".

Ondanks dat ik als kind best graag bij nónk Tien kwam heeft mam hem voor zover ik me kan herinneren eigenlijk nooit echt gemogen. Na de dood van papa begreep zij maar niet waarom God hem was komen halen en niet zijn broer. Met tegenzin heeft zij geaccepteerd dat nónk Tien onze voogd werd. Mama had liever ome Ton gehad, maar de familie Krewinkel vond dat dat iemand van hun kant moest zijn. Toen wij ouder werden en met uitzondering van Kerstmis en Pasen uiteindelijk niet meer naar de kerk gingen verwaterde langzamerhand ook de traditie om bij nónk Tien langs te gaan. Wel ging ik steevast bij hem op bezoek met Kerstmis en Pasen. Ik herinner me dat dan altijd de mis van het Vaticaan op stond, vanwege het Urbi et Orbi, de pauselijke zegen.

Hoewel we niet meer zo vaak bij het tweetal op bezoek gingen, kwam nónk Tien wel 's zondags altijd even kijken hoe het bij ons was. Hij vroeg dan altijd om een "drüpsje", een cognacje. Totdat mama de flessen ging verstoppen omdat zij hier geen zin meer in had. Op een gegeven moment kwam hij niet meer.

Nónk Tien en ome Wiellie behoorden in hun tijd tot het stadsbeeld van Kerkrade. Iedereen kende het tweetal dat dagelijks hun ronde maakte langs enkele stamcafés. Vooral nónk Tien speelde het buitensporige drankgebruik meerdere malen parten. Meer dan eens is hij na een valpartij in het ziekenhuis terecht gekomen. Eigenlijk heb ik altijd medelijden met hem gehad. Door iedereen werd hij bespot, zelfs door zijn eigen familie. Hij is altijd vrijgezel gebleven. Slechts één keer in zijn leven heeft hij seks gehad met een meisje, zo vertelde hij mij eens. Boven in de kerktoren. Maar dat was alweer snel uit, omdat hij last had van een vroegtijdige zaadlozing.

Hoewel ik vooral in mijn jeugd een goed contact had met nónk Tien kwam het maar sporadisch voor dat hij echt over zaken vertelde die voor hem belangrijk waren. Zo vertelde hij dan graag over zijn relatie met pap en hoe de twee jongens altijd onafscheidelijk waren geweest. De band was zelfs zó sterk dat de twee ondanks hevig verzet van hun ouders altijd samen in één bed geslapen hebben tot het moment dat papa het ouderlijk huis verliet omdat hij ging trouwen.

Nadat ome Wiellie overleden was verhuisde nónk Tien naar de Atriumflat naast de Orlandopassage. Uiteindelijk moest hij verhuizen naar Vroenhof, omdat gebleken was dat hij op een gegeven moment niet meer alleen kon blijven. In de Vroenhof heeft hij niet lang gewoond. Helemaal vereenzaamd en depressief is hij tijdens een korte ziekenhuisopname overleden. Járen later, eind 2015, wist neef Paul te vertellen dat nónk Tien homo was. Aangezien hij zelf ook een voorkeur voor mannen heeft heeft Tien hem destijds in vertrouwen genomen. Het bleek nu dat het koppel Tien en Wiellie goed bekend was in de homoscene van Amsterdam waar ze nogal eens een darkroom bezocht hadden. Tien had tegenover Paul over Wiellie gesproken als "zijn man". Ik wist dat Martin en Wiellie dikke vrienden waren, maar toch heb ik het altijd een beetje vreemd gevonden dat ze in het zelfde graf begraven zijn. Nu werd dat duidelijk. Een zeer goed bewaard gebleven familiegeheim was toch nog onthuld!