MILITAIRE DIENST

Tussen de Havo en de Meao had ik een kort militair avontuur. Ik hoorde bij de lichting 82-02, hetgeen betekende dat ik mij op 2 maart 1982 te melden had voor opkomst in militaire dienst. Ik werd ingedeeld bij de B-compagnie van het OCMGD, het opleidingscentrum militair geneeskundige dienst, en moest mijn opleiding volgen in de Korporaal van Oudheusdenkazerne te Hilversum-Hollandsche Rading. Eigenlijk was ik lichting 1979, maar zo lang ik op school zat kon ik de oproep voor mijn dienstplicht nog even uitstellen. Het was de bedoeling dat ik opgeleid zou worden tot operatiekamer-assistent. Voor het hele opleidingstraject werden wel vier maanden uitgetrokken! Ik heb nooit begrepen hoe het in dienst allemaal zo snel kon gaan, terwijl je in het normale leven een opleiding moet volgen van een paar jaar. Het was een leuke tijd. Het leek meer op vakantie dan op werk. We lagen midden in het bos, het waren fijne kameraden en ook het eten was prima.

Voorafgaande aan dit alles vond er een geneeskundige keuring plaats in Roermond. Hier werd ik onderworpen aan een reeks testen om te zien of ik geen lichamelijke of geestelijke gebreken had. Ik kan me nog herinneren dat ik op een formulier moest aankruisen welke ziektes ik (gehad) had. Omdat ik het ook niet meer allemaal zo goed wist heb ik toen voor de zekerheid maar alle ziektes aangekruist. Dit viel niet in goede aarde bij de sergeant-majoor-dokter-controleur en het formulier ging regelrecht in de prullenmand. Ondanks mijn hevige protesten volgde een acute en onomkeerbare goedkeuring...

Ik vond het al verschrikkelijk om moederziel alleen naar Roermond te moeten reizen, maar de dag van opkomst vond ik al helemaal dramatisch. Ik was nog nooit zo ver van huis geweest en al helemaal niet in mijn uppie! In de trein kwam ik gelukkig al snel in gesprek met iemand die ook op weg bleek te zijn naar de kazerne in Hilversum. Vooral met Marcel Dortants ben ik mijn paar weken in dienst opgetrokken.

Na aankomst in de kazerne bleek al snel dat onze militaire opleiding niet zo veel zou gaan voorstellen. Zoals onze sergeant zei, kwam de nadruk te liggen op het marcheren, opdat wij niet zouden opvallen als wij eens met de "echte jongens" in de rij moesten lopen. Toch werd er nog veel aan sport gedaan. Voor mijn gevoel veel te veel. Zo was er een dagelijks bezoek aan de stormbaan. Hiervoor kreeg ik na veelvuldig beraad met de sergeant gelukkig voor het grootste deel vrijstelling. De ene oefening kon ik niet doen omdat ik hoogtevrees had, de andere weer niet omdat ik claustrofobisch was, enzovoorts. Uiteindelijk liep ik dus zo goed als alleen maar wat naast de sergeant, terwijl de anderen zich moe maakten... Er stonden ook een aantal enge dingen op het programma: de gaskamer, waar je je eigen gasmasker moest testen en het zetten van spuiten. Dat laatste moest je niet zoals gebruikelijk in de zorg op een sinaasappel oefenen, maar direct op je kameraden. Vol in het bovenbeen! Voordat die oefeningen aan bod kwamen was ik echter gelukkig al lang en breed afgezwaaid.

Behalve dat ik met de meeste onderdelen van de stormbaan nooit kennis heb hoeven maken had ik op een gegeven moment ook een beetje last van een ontsteking in de achillespees. Dat leidde er toe dat ik een paar dagen vrijstelling kreeg van het meedoen aan marcheren en hardlopen. In dienst moest namelijk alles in looppas gebeuren. En iedereen rende zich rot, behalve soldaat Krewinkel. Die moest het namelijk rustig aan doen om geen zaken te forceren.

Zoals gezegd was het eigenlijk best een leuke tijd. Het verblijf in de kazerne deed me een beetje denken aan scouting en de omgang met de kameraden was zeer vriendschappelijk en zeker aangenaam. Overdag was het een kwestie van een beetje de soldaat uithangen en na het avondeten doken we gelijk de bioscoop of nog vaker de kroeg in! Ik heb het uiteindelijk toch nog bijna drie weken vol weten te houden.

Onze groep was een gemêleerd gezelschap. Behalve onze sergeant met de veel te grote snor herinner ik me vooral Fokko, een Achterhoeker die vanwege zijn accent door niemand echt voor vol werd aangenomen en een lange Hollander die niet voor vol wilde worden aangenomen, maar die het ondanks verwoede pogingen om afgekeurd te worden maar niet lukte om de status S5 te bemachtigen.

Toen volgde de schietbaan. Ik gaf te kennen dat ik geen gebruik wenste te maken van vuurwapens. Ik begreep niet goed waarom wij opgeleid zouden worden om mensen te helpen, terwijl we van de andere kant getraind zouden worden om die zelfde mensen aan flarden te schieten. Bovendien vond ik zo'n vuurwapen, ik kreeg de beschikking over een Browning HP-35 handvuurwapen, ook best wel een beetje eng. Onze sergeant kon me hoe dan ook niet uitleggen waarom ik een goed schutter zou moeten zijn. Wel werd mij duidelijk gemaakt dat ik verplicht was deel te nemen aan de schietoefeningen als ik in dienst wilde blijven, want een soldaat zonder wapen was ondenkbaar! Weer verschilden we duidelijk van mening, maar de sergeant had altijd gelijk en in ieder geval het laatste woord.

Toen ik mijn spullen inleverde bij de foerier bleek deze man ook al geen enkel begrip te kunnen opbrengen voor mijn besluit het vaderlandse leger te verlaten. Ik moest maar eens gaan kijken in Margraten, zo snauwde hij mij toe. Ten opzichte van de jongens die daar begraven liggen zou ik me diep moeten schamen. Ik heb hem nog proberen uit te leggen dat dát dus precies de reden van mijn vertrek was en dat ik nooit in een situatie terecht wilde komen waarin ik verantwoordelijk was voor één van dat soort graven, maar dit relaas bleek geheel aan dovemansoren gericht. Het Departement van Defensie der Koninklijke Landmacht had mij een vodje meegegeven waarop stond dat men de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst op mij van toepassing had verklaard en dat men mij in afwachting van de onherroepelijke beslissing op mijn beroep huiswaarts had gezonden. En zo zat voor Tinus de diensttijd er m.i.v. 17 maart, veel sneller dan verwacht, alweer op en zat hij in de trein naar huis.

Ik heb dus gebruik gemaakt van mijn wettelijk recht om de dienstplicht te weigeren op grond van gewetensbezwaren. De consequentie die hier aan vast hing was een juridisch traject waarna ik vervangende dienstplicht zou moeten gaan doen. In dit traject zou ik begeleiding krijgen van mensen van 'Pax Christi' (tegenwoordig simpelweg 'Pax'). Mijn begeleider, Mathieu Vinken, woonde in de Lichtenbergstraat 39 in Hoensbroek. Daar ben ik ooit één keer geweest. Dat was bij vrij jonge mensen thuis die heel gelovig waren. Ik was een beetje aan de vroege kant. Want eigenlijk had ik niet veel zin om met een hoop vreemde mensen in een discussiegroep te moeten zitten en bovendien vond ik het zó'n pokkeneind fietsen vanuit het Mücherveld dat ik toch al niet al te gemotiveerd was om deze reis meerdere keren te moeten maken. Dus ik dacht dat ik maar op tijd daar moest zijn, dan kon ik ook met goed fatsoen op tijd weg. In ieder geval voordat al die anderen zouden komen. Ik was dus ruim op tijd, die mensen moesten nog beginnen met eten en dat werd vooraf gegaan door een gebed. Ik voelde me best wel een beetje opgelaten. Zat ik daar aan tafel te kijken hoe zij hun avondmaal naar binnen werkten en ik wist me ook niet echt een houding te geven toen ik voor het fatsoen wilde meebidden maar de tekst vergeten was.

Mij werd het traject uitgelegd en ik kreeg te horen dat vervangende dienstplicht doorgaans iets met liefdadigheid of zorg te maken zou hebben. Ik kon me met geen mogelijkheid voorstellen hoe ik het bijvoorbeeld in de zorg zou kunnen overleven als ik al over mijn nek ga bij alleen al de gedachte aan kots of kak. En dat zou ik dan bij vreemden moeten opruimen…..!!!! Ah, OK. Ik zou het me thuis eens door mijn hoofd laten gaan. Bedankt en tot ziens! Tot mijn geluk kreeg ik een paar weken later een brief van Defensie dat ik niet alleen de keuze had voor de juridische procedure, maar dat ik er ook voor kon kiezen om me "buitengewoon dienstplichtig" te laten verklaren. Dat laatste betekende concreet dat ik niet voor mijn nummer in dienst hoefde, maar dat men mij in het geval van bijvoorbeeld een oorlog of zo wel alsnog zou kunnen oproepen. Ook zou ik geen vervangende dienstplicht hoeven te vervullen. Dat laatste vond ik toch wel een steekhoudend argument. Dan maar buitengewoon dienstplichtig, had ik snel overwogen. Daar was ik weer mooi onderuit weten te komen! Later zou blijken dat ik helemaal niet meer opgeroepen zou worden na mijn 35e levensjaar. Case closed zullen we maar zeggen.

Ik herinner dat met name ome Ton geen enkel begrip kon opbrengen voor mijn besluit om uit het leger te stappen. Dat was ongehoord! Iedereen uit de familie had immers zijn dienstplicht vervuld. Aan de kant van "Weert" (familie Ploem) had men zelfs een officiersopleiding genoten! Jaja, baas boven baas was mij toen al niet vreemd, maar wat die van Ploem deden dat moesten ze vooral mooi zelf weten. Daar had ik dus echt geen boodschap aan. Het heeft me wel nog lang dwars gezeten dat ome Ton zo negatief gereageerd had, maar daar ben ik uiteindelijk overheen gegroeid. Er zijn van die momenten dat je voor jezelf moete kiezen en niet dat moet doen wat anderen van je verwachten. Van dat soort momenten zou ik er nog veel gaan ervaren. Helaas heb ik niet altijd voor mijn hart gekozen, maar de keuzes bij anderen neergelegd. Dat zou ik nu dus nooit meer doen!

Mijn interesse voor het leger is altijd gebleven en ook ben ik altijd geïnteresseerd geweest in alles wat er in de Tweede Wereldoorlog, vooral in onze regio, is gebeurd.

In die tijd was ik, waarschijnlijk als gevolg van een postpuberale storing, nogal recalcitrant ingesteld. Dat ben ik eigenlijk altijd wel geweest en gebleven, maar dit gedrag kende toen toch wel een hoogtepunt. Ik stemde in die tijd op de PSP, de Pacifistische Socialistische Partij. Ik had eigenlijk nauwelijks benul van hun standpunten, maar hun verkiezingsposter (een blote vrouw te midden van een paar koeien) én het feit dat zij tegen atoomwapens en eigenlijk het hele leger waren was ruim voldoende om mij te overtuigen. Achteraf bleek dat die jongens (M/V) er best wel communistische ideeën er op na hielden en dan bedenk ik me nu dat ook dat best wel raakvlakken had met mijn overtuiging van hoe de wereld er uit zou moeten zien. Ik heb namelijk altijd al een gruwelijke hekel gehad aan het door Amerika aangevoerde kapitalistische beleid van er onverantwoord en "ohne Rücksicht auf Verluste" op los leven. De ideale samenleving vanuit mijn optiek zou er een zijn waarbij iedereen zo veel mogelijk zelfvoorzienend zou zijn door bijvoorbeeld zelf groenten en fruit te telen en waarbij iedereen de plicht zou hebben een ander gratis bij te staan met zijn of haar kwaliteiten. Een bakker bakt brood in ruil voor de diensten van een schilder, de timmerman hangt gratis een deur in in ruil voor een uurtje muziek, en vul het zo maar verder in. Ruud Habets beschuldigde mij ooit van communistische denkbeelden, maar daar had ik verder geen last van.

Mijn dwarsliggerij kende verdere piek toen ik mij aanmeldde bij Atoomvrijstaat, een clubje dat zich ten doel had gesteld om ergens in de buurt van kernenergieprojecten als bijvoorbeeld Doel en Borssele een stuk land te kopen en daar Atoomvrijstaat te stichten. Dit is voor zover ik weet nooit gelukt, maar sinds 3 september 1983 had men in de buurt van vliegbasis Woensdrecht wel een V.A.K. ingericht, een Vredesaktiekamp. De doelstelling hiervan was "het daadwerkelijk verhinderen van het plaatsen van kruisraketten en het verduidelijken van het verband tussen kernwapens en kernenergie, militairsme, onderdrukking hier en in de derde wereld, enz.". Het Ministerie van Subversieve Zaken van Atoomvrijstaat werd beheerd door het Kollektief Rampenplan in Sittard, maar werd op 24 december 1983 overgedragen aan het V.A.K.. De bewoners van de geplande Atoomvrijstaat konden zich alvast aanmelden en dan kregen ze een heus paspoort dat zij in hun kontakten met de Nederlandse overheid konden gebruiken. Uiteraard had ik ook zo'n paspoort, maar ik heb het nooit hoeven te gebruiken. Maar zoals toen heb ik nu nog steeds een afkeer van gezag en een hekel aan overheden.