PAPA

Pap was werkzaam als elektrotechnisch tekenaar op de Staatsmijn Wilhelmina, de kleinste van de Staatsmijnen. Hier vierde hij op 23 oktober 1966 zijn 25-jarig dienstjubileum. Een keer ben ik een dag met hem mee geweest. Ik mocht overal rondkijken. In het begin was dat natuurlijk hartstikke spannend, maar na verloop van tijd begon kleine Marthèke zich toch aardig te vervelen. De bedoeling van pap was uiteraard heel goed, maar een hele werkdag relatief stil zitten was toch niks voor een jongetje van mijn leeftijd. Na de middag kreeg ik een rondleiding over het buitenterrein van de mijn. Ik ben toen zelfs nog op een locomotief geweest, waar nónk Tien op dat moment net mee kwam aanrijden. Ik herinner me dat de fluit het op dat moment net niet deed. Gelukkig maar, ik vond het toch al allemaal een beetje eng. Maar hoe dan ook: door het werk van pap was mijn interesse voor het mijnbedrijf al heel vroeg gewekt. Ik herinner me dat ik als kind úren kon doorbrengen met het bladeren door de bedrijfstijdschriften. In mijn belevingswereld waren die stoere mijnwerkers die in de sterk tot de verbeelding sprekende ondergrondse gangen hun werk deden echte helden.

Die 23e augustus 1968, tien dagen na mijn achtste verjaardag, kwam ik tussen de middag thuis van school en was mam er niet. Ik werd bij Kremers op nummer 8 naar binnen gehaald. Boven zat mam heel hard te huilen. Verschillende keren heb ik haar gevraagd waarom ze zo huilde. Zij kreeg er geen woord uit. Behalve mam en meneer en mevrouw Kremers was er nog een man die ik niet kende. Die kwam op een gegeven moment naar mij toe en vertelde me dat papa in de hemel was. Ik moest sterk zijn, want ik was nu de man in huis en moest mama steunen. Waarschijnlijk omdat ik erg beschermd ben opgevoed en eigenlijk, behalve het overlijden van oma Krewinkel, niet eerder met de dood in aanraking was gekomen begreep ik niet hoe ernstig de situatie was. Dat papa in de hemel was, was toch in principe heel fijn voor hem?! En dat ik de man in huis was vond ik best wel stoer. De strekking van de boodschap was voor mij op dat moment geheel onduidelijk en drong pas veel later tot mij door. Ik was veel te jong of te naïef om het te begrijpen. Ik ben dan ook, na het nuttigen van heel veel boterhammen met pasta (Heerlijk! Dat hadden we bij ons niet), gewoon naar school gegaan. Daar begreep hoofdmeester Bemelmans niet dat ik zo gelaten reageerde. Als ik zo weinig gaf om het leven van mijn vader, dan zou ik verder op school ook geen leven meer hebben. Ik werd vanaf dat moment dan ook volledig uitgesloten van alle leuke activiteiten. Tegenwoordig zou er een professioneel hulpverlener bij gehaald zijn, maar dat was in die tijd niet aan de orde.

Ons buurmeisje van toen, de jongste van het gezin Krol, wilde die 23e augustus op rouwbezoek bij haar overleden oma, zo vertelde zij mij tijdens een onderonsje in 2020. Toen zij het lijkenhuisje naar binnen liep stond zij opeens oog in oog met papa. Hevig geschrokken rende ze naar huis, waar haar verteld werd over de erge boodschap die mevrouw Krewinkel 's morgens had gekregen. Het arme kind is niet meer bij haar oma geweest.

Pap lag er heel vredig bij en had zelfs een glimlach rond zijn mond. In ieder geval had hij geen pijn gehad en moest het mooi zijn waar hij nu was, zei mam. Pas op het moment dat ik voor het laatst afscheid kon nemen in de rouwkapel begon het besef te komen dat dit een afscheid voor altijd zou zijn. Ik kan me nog precies de woorden van mam herinneren: "Adieë mienge sjat", terwijl ze hem zoende.

In de rouwkapel van het ziekenhuis waren de overledenen niet zoals tegenwoordig netjes in afzonderlijke ruimtes opgebaard. In feite was het één grote ruimte, waarbij de afzonderlijke kisten van elkaar afgeschermd waren door gordijnen. De kisten stonden op een verhoging van houtblokken. Een van de Krewinkeltjes heeft mam ter plekke grijze haren bezorgd door tijdens het rouwbezoek tegen een van die blokken op te lopen, waardoor de kist dreigde om te vallen. Ternauwernood kon men ze opvangen, waarmee voorkomen werd dat het lichaam van pap uit de kist rolde.

Zoals voor die tijd gebruikelijk vertrok de begrafenisstoet vanaf de woning van de overledene. De hele ochtend was het druk in huis. De hele familie was verzameld en aanhoudend werden bloemen bezorgd. Yvonne en ik waren enthousiast over zoveel sensatie. Yvonne stak het niet onder stoelen of banken dat ze het prachtig zou vinden om straks met "de optocht" mee te kunnen. Op enig moment moeten we zelfs om de rouwauto gerend zijn terwijl we riepen: "Doa likgt ózze papa drin!". Ik herinner me dat verschillende aanwezigen zich stoorden aan ons gedrag en ons het liefst eens flink gerammeld zouden hebben.

Mam heeft lang moeten wennen aan het verlies. Steeds bleef ze de tafel dekken voor vier personen. Yvonne en ik vonden dat maar gek. Of ze nog steeds niet door had dat papa dood was? Veel later pas begreep ik hoe veel pijn we haar hiermee hebben gedaan. Wat ook nog lang een onderwerp van discussie is geweest was het feit dat pap Yvonne nog een tik verkocht had op de ochtend dat hij voor het laatst naar zijn werk ging. We waren buiten in de tuin, pap maakte zich gereed, haalde zijn brommer en Yvonne liep maar een eindje te klieren. Omdat ze geen gehoor gaf aan zijn waarschuwingen heeft pap haar toen nog een corrigerende tik gegeven, waarna hij naar zijn werk vertrok.

Na het overlijden van pap is er een breuk ontstaan tussen ons en de rest van de familie Krewinkel. Waarom, dat heeft mij nooit iemand verteld. Het is nooit meer echt goed gekomen, hoewel vooral het contact tussen mam en nónk Joeëhan en tante Mia veel later gelukkig een opleving heeft gekend.

Járen later, ik was ergens in mijn late tienerjaren, was ik in de kelder van ons huis bezig toen ik opeens iets op mijn schouder voelde tikken. Instinctief voelde ik dat het papa moest zijn. Het voelde heel warm en goed. Behalve dat ik een heel gelukkig gevoel kreeg heb ik er niet echt aandacht aan besteed. Er was verder ook niets te zien of te horen.

Het Solexje heb ik nooit meer terug gezien.